Proactieve interferentie
Proactieve interferentie is wanneer iets wat je eerder hebt geleerd het moeilijker maakt om iets nieuws te leren of te onthouden. Oud blokkeert nieuw. In januari schrijf je nog het jaartal van vorig jaar, of bij Italiaans glippen er Spaanse woorden uit. Het effect is het sterkst als oude en nieuwe stof op elkaar lijken, en het is het spiegelbeeld van retroactieve interferentie.
Het draait om de richting. Pro betekent vooruit: de oudere herinnering duwt vooruit in de tijd en zit de nieuwere in de weg. Bij retroactieve interferentie gaat het achteruit en beschadigt nieuw leren het oude. Op een tentamen houd je ze uit elkaar met één vraag: welke herinnering valt weg? Is dat de nieuwere, dan is het proactief.
Het klassieke bewijs komt uit korte geheugentests. In het onderzoek van Keppel en Underwood (1962) onthielden mensen een reeks van drie letters bij de eerste poging bijna perfect, maar bij de volgende pogingen ging dat duidelijk achteruit, omdat de eerdere reeksen nu met de nieuwe concurreerden. Toen Wickens en collega's (1963) de categorie van de items veranderden, ging het onthouden weer omhoog. Die sprong heet opheffing van proactieve interferentie.
Voor studeren is dit heel praktisch. Twee vergelijkbare onderwerpen direct na elkaar lopen door elkaar, en meestal wint het onderwerp dat je het eerst leerde. Bij farmacologie haal je middelen met bijna dezelfde naam door elkaar, bij talen neem je grammatica mee van de ene taal naar de andere en bij statistiek pak je de formule van vorige week. Wat helpt is contrast, spreiding en jezelf overhoren op allebei, niet nog een keer herlezen.
| Situatie | Wat er misgaat | Wat helpt |
|---|---|---|
| Een tweede vreemde taal leren | Woorden en grammatica uit de eerste sluipen erin | Beide op verschillende dagen leren en een lijst met valse vrienden bijhouden |
| Medicijnen of enzymen met bijna dezelfde naam | De naam die je het eerst leerde, komt op voor de nieuwe | Een contrasttabel: naam, groep, belangrijkste verschil |
| Een aangepaste formule of regel | Je blijft de versie van vorig semester gebruiken | Oud en nieuw naast elkaar schrijven en jezelf op het verschil overhoren |
| Meerdere hoofdstukken in één sessie | Latere hoofdstukken blijven slechter hangen dan het eerste | Tussen blokken naar een duidelijk ander vak overstappen |
Lena leerde vorige week bètablokkers en begint vandaag aan ACE-remmers. In haar quiz schrijft ze metoprolol waar lisinopril het antwoord is, en ze noemt de droge hoest een bijwerking van bètablokkers. Het nieuwe hoofdstuk kent ze best. Het oudere, beter geoefende hoofdstuk wint gewoon de strijd. Ze maakt een tabel met beide groepen in twee kolommen, doet een quiz die ze door elkaar husselt en heeft de paren twee dagen later goed.
- 1Zoek de naaste buren in je stof: namen, formules, grammaticaregels of jaartallen die op elkaar lijken.
- 2Leer twee naaste buren niet in dezelfde sessie. Zet er een dag of een duidelijk ander vak tussen.
- 3Maak een contrasttabel met één rij per begrip en een kolom voor het belangrijkste verschil.
- 4Overhoor jezelf op de vergelijkbare begrippen door elkaar, zodat je oefent ze te onderscheiden.
- 5Herhaal het nieuwere onderwerp in de eerste week vaker, omdat het zwakker begint dan het oude.