Principe van coderingsspecificiteit
Het principe van coderingsspecificiteit zegt dat een herinnering het makkelijkst terugkomt als de aanwijzingen bij het ophalen passen bij de aanwijzingen die tijdens het leren mee zijn opgeslagen. Endel Tulving en Donald Thomson beschreven het in 1973. Contextafhankelijk en toestandsafhankelijk geheugen zijn allebei speciale gevallen van deze ene regel.
Als je iets leert, slaat je brein het feit niet los op. Het bewaart het samen met wat eromheen zat: de woorden ernaast, de formulering, het voorbeeld, zelfs de ruimte en je stemming. Een aanwijzing op het tentamen helpt alleen als die overlapt met dat opgeslagen pakketje. In de experimenten van Tulving en Thomson hielp een zwakke aanwijzing die er tijdens het leren was meer bij het ophalen dan een sterke associatie die er toen niet was.
Een bekend voorbeeld is het woord bank. Heb je het geleerd als de bank in je woonkamer, dan brengt de aanwijzing geld het niet terug, ook al is de bank voor je geld heel gewoon. De betekenis die je hebt gecodeerd, is degene die moet worden aangesproken. Contextafhankelijk geheugen (dezelfde ruimte) en toestandsafhankelijk geheugen (dezelfde stemming of alertheid) zijn hetzelfde principe, toegepast op aanwijzingen van buiten en van binnen.
Bij tentamens zit de valkuil erin dat jij niet bepaalt welke aanwijzingen het tentamen geeft. Heb je een feit alleen in één zin op één slide gezien, dan bereikt een anders geformuleerde vraag het misschien niet. Oefen dus in het format van het tentamen, haal feiten vanuit verschillende kanten op en wissel vraagtypes af. Veel verschillende aanwijzingen bij één idee betekenen veel wegen terug. Een verwant idee, transfer-appropriate processing, zegt dat je het best onthoudt als je oefening om hetzelfde soort denken vraagt als het tentamen.
| Geval | Aanwijzing die moet passen | Wat je meeneemt bij het leren |
|---|---|---|
| Contextafhankelijk geheugen | Omgeving buiten je: ruimte, geluiden, geuren | Wissel van leerplek of stel je de leerruimte voor |
| Toestandsafhankelijk geheugen | Toestand binnen je: stemming, alertheid, stress | Doe een paar sessies rustig en getimed, zoals op het tentamen |
| Betekenis van een woord | De betekenis die het woord had toen je het leerde | Leer begrippen in meerdere voorbeeldzinnen |
| Vraagvorm | Hoe de vraag tijdens het oefenen werd gesteld | Oefen met dezelfde vraagtypes als op het tentamen |
Leo leert mitose van één slide met een celschema dat stap voor stap is gelabeld. Op het tentamen is de vraag alleen tekst: in welke fase gaan de zusterchromatiden uit elkaar? Zonder het schema heeft hij moeite. Zijn vriendin oefende met het schema, met geschreven vragen en door de fasen hardop uit te leggen. Zij bouwde meerdere aanwijzingen voor dezelfde kennis, en een daarvan past bij het tentamen.
- 1Zoek het tentamenformat uit: vraagtypes, formuleringsstijl, schriftelijk of mondeling.
- 2Haal elk kernfeit op via minstens twee verschillende aanwijzingen, zoals een definitie en een voorbeeld.
- 3Wissel vraagtypes en onderwerpen af in één sessie in plaats van er één tegelijk te stampen.
- 4Leg elk concept uit in je eigen woorden, zodat de betekenis wordt opgeslagen en niet alleen de formulering.
- 5Sluit af met een ronde oefenvragen die zijn geformuleerd zoals het echte tentamen.