Hoe maak je goede flashcards?
Zet één idee op elk kaartje. Schrijf een vraag op de voorkant en het antwoord op de achterkant. Gebruik je eigen woorden, geen kopie van de dia's. Houd beide kanten kort, en voeg een klein plaatje toe als het helpt. Overhoor jezelf daarna echt, en verdeel je herhalingen over meerdere dagen in plaats van ze allemaal tegelijk te stampen.
De grootste fout is te veel op één kaartje proppen. Als er op de achterkant vijf dingen staan, kun je niet zien welk deel je fout had. Eén kaartje, één idee. Als een onderwerp groot is, splits het dan in een paar kleinere kaartjes.
Schrijf de voorkant als een echte vraag, niet zomaar één woord. "Wat doet het mitochondrion?" wint van "mitochondrion", omdat het je dwingt het antwoord uit je hoofd te halen. Juist dat ophalen zorgt dat het blijft zitten. Opnieuw lezen doet daarbij vergeleken bijna niets.
Gebruik je eigen woorden en voeg een snelle schets toe als het kan. Het in je eigen woorden zetten betekent dat je het echt begrepen hebt en niet alleen overgeschreven. Overhoor jezelf daarna volgens een gespreid schema: bekijk een kaartje de volgende dag opnieuw, dan een paar dagen later, dan een week. De kaartjes die je steeds fout hebt, herhaal je vaker.
- 1Eén idee per kaartje. Als het vol voelt, splits het in twee kaartjes.
- 2Schrijf de voorkant als een vraag, en houd het antwoord op de achterkant kort.
- 3Gebruik je eigen woorden in plaats van de zin uit het boek over te schrijven.
- 4Voeg een kleine tekening of schema toe als het je helpt om het voor je te zien.
- 5Zeg je antwoord hardop voordat je het kaartje omdraait.
- 6Herhaal volgens een gespreid schema, en oefen de kaartjes die je steeds fout hebt.